Uitspraak College Rechten van de Mens

In overleg met Stichting Gebruikers Assistentiehonden heeft een dierentuin een verzoek tot beoordeling ingediend bij het College voor de rechten van de mens of zij in strijd met het VN-Verdrag voor personen met een handicap handelen door mensen met assistentiehonden niet toe te laten op hun park. Het College voor de rechten van de mens heeft uitspraak gedaan over het toelaten van assistentiehonden in de dierentuin in Amsterdam.
Lees hieronder het hele oordeel.

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of zij verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt door assistentiehonden niet toe te laten tot de dierentuin.

2 Verloop van de procedure

Het College heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van 19 december 2016, dat is ontvangen op 21 december 2016.

Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2017. Verzoekster is verschenen. Zij werd vertegenwoordigd door [. . . . ], hoofddirecteur, die werd bijgestaan door [. . . .. ], bedrijfsjurist. De voorzitter van de Stichting Gebruikers Assistentiehonden, [. . . .. ], is als informant ter zitting verschenen. Hij werd bijgestaan door [. . . . . ], jurist. Ook is [. . . . ], hoofdinspecteur van het Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds, als informant ter zitting verschenen.

3 Feiten

Verzoekster is een stichting die een dierentuin exploiteert. Het terrein bestaat uit een park, waar de dieren verblijven, en een voor eenieder toegankelijk plein, met daaraan gelegen een café-restaurant. Verzoekster voert als beleid dat assistentiehonden niet worden toegelaten tot de dierentuin.

4 Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat zij haar beleid om geen assistentiehonden toe te laten opnieuw tegen het licht heeft gehouden naar aanleiding van de ratificatie door Nederland van het VN-Verdrag Handicap en de toekomstige inwerkingtreding van het Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of een chronische ziekte. Zij is op grond hiervan tot de conclusie gekomen dat zij vasthoudt aan het verbod. Zij stelt dat het door haar gemaakte onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gerechtvaardigd is in verband met de veiligheid en de gezondheid van de dieren. Ook speelt het karakter van haar park een rol bij haar beleid; veel verblijven zijn vanwege hun open karakter niet toegankelijk voor assistentiehonden. Bovendien borgt zij de toegang tot haar dierentuin voldoende door aan bezoekers de mogelijkheid te bieden om in plaats van een assistentiehond zonder extra kosten een begeleider mee te nemen.

5 Standpunt informanten

5.1 De voorzitter van de Stichting Gebruikers Assistentiehonden heeft ter zitting naar voren gebracht dat verzoekster niet onderkent dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) uitgaat van gelijke behandeling en inclusiviteit van mensen met een beperking. Toegankelijkheid is de norm. Uitsluiting is alleen mogelijk na gedegen onderzoek, met motivering van de risico’s. Ook moet zijn nagedacht over de vraag of eventuele aanpassingen gedaan kunnen worden. Hieraan heeft verzoekster niet voldaan. Hij kan zich voorstellen dat bepaalde delen van de dierentuin niet toegankelijk zijn voor mensen met een assistentiehond, maar hen volledig weigeren is in strijd met de wet. Ook voert hij aan dat het door verzoekster geboden alternatief om zonder extra kosten een begeleider mee te nemen niet voor alle gebruikers van assistentiehonden geschikt is. Zo is voor mensen met een posttraumatische stressstoornis de aanwezigheid van hun assistentiehond noodzakelijk. Verder heeft hij erop gewezen dat andere dierentuinen wel assistentiehonden toestaan.

5.2 De hoofdinspecteur van het Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds heeft ter zitting naar voren gebracht dat de interactie tussen assistentiehonden en de dieren van het park niet alleen stress oplevert voor de dieren van het park, maar ook voor de assistentiehonden. Daarom adviseert zijn organisatie haar cliënten om assistentiehonden niet mee te nemen naar een dierentuin. Ook voert hij aan dat in de meeste dierentuinen in het buitenland, in het bijzonder in de Verenigde Staten, assistentiehonden wel worden toegelaten.

6 Beoordeling

6.1 Op grond van artikel 5b WGBH/CZ is onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Verzoekster is een bedrijf dat diensten aanbiedt en valt daarmee onder het bereik van artikel 5b WGBH/CZ. Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten (artikel 2, eerste lid, WGBH/CZ). Onder het verrichten van doeltreffende aanpassingen wordt in ieder geval verstaan het toelaten van assistentiehonden (artikel 2, tweede lid, WGBH/CZ). Ten aanzien van het door verzoekster aangeboden alternatief van het meenemen van een begeleider zonder extra kosten, overweegt het College dat daarmee niet is voldaan aan artikel 1 WGBH/CZ. Hierin is bepaald dat ieder mens in staat moet worden gesteld aansluitend bij zijn mogelijkheden autonoom te zijn. Door in plaats van zijn assistentiehond, een begeleider mee te nemen die gratis de dierentuin in mag, verliest een persoon met een handicap of chronische ziekte (een deel van) zijn autonomie. Het door verzoekster aangeboden alternatief is dan ook geen doeltreffende aanpassing als bedoeld in de WGBH/CZ. Het College is van oordeel dat verzoekster door te weigeren assistentiehonden toe te laten, onderscheid maakt, tenzij deze aanpassing voor haar een onevenredige belasting vormt (artikel 2,eerste lid, WGBH/CZ).

Onevenredige belasting?

6.2 Verzoekster stelt dat het voor haar onevenredig belastend is om assistentiehonden in de dierentuin toe te laten. Dit zou van haar vragen om de bedrijfsvoering te wijzigen, zoals het afsluiten van bepaalde dierenverblijven waar de bezoekers nu vrij doorheen kunnen lopen of te beslissen dat sommige dieren helemaal niet meer in de dierentuin kunnen verblijven, omdat zij niet tegen de stress kunnen die assistentiehonden teweeg brengen. In sommige gevallen kan deze stress zelfs dodelijk zijn. Zo zijn er dierenverblijven met een open karakter, waar de dieren loslopen of vrij rondvliegen en waar de bezoekers op een pad doorheen mogen lopen, zoals bij de apen en de vogels. In deze verblijven is het onverantwoord assistentiehonden toe te laten. Volgens verzoekster is er geen onderzoek nodig om deze conclusie te trekken. Haar is ook geen onderzoek bekend over de effecten van aangelijnde honden op de dieren in een dierentuin. Zij wil hiernaar ook geen onderzoek verrichten omdat zij bang is dat dit de dood van sommige dieren tot gevolg heeft. In dat geval is sprake van dierenmishandeling en voldoet zij niet aan de wettelijke zorgplicht die zij voor de dieren heeft. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat de veiligheid en de gezondheid van de dieren ook in gevaar kunnen komen omdat assistentiehonden ziektes kunnen overbrengen. Volgens de hoofdcurator blijft dit risico altijd aanwezig, zelfs als de assistentiehond een medisch paspoort heeft. Verder zijn er de buiten- en binnenverblijven met een halfopen karakter. Hier kunnen de bezoekers de dieren van heel dichtbij zien, maar worden bezoekers en dieren van elkaar gescheiden door bijvoorbeeld water of glas. Verzoekster stelt dat niet duidelijk is of in deze verblijven assistentiehonden kunnen worden toegelaten. Dit geldt ook voor de andere gedeelten van de dierentuin. Verzoekster heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij hiernaar geen onderzoek heeft verricht, maar dat zij dat alsnog zou kunnen doen.

6.3 Het College overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of een aanpassing een onevenredige belasting inhoudt, een afweging moet worden gemaakt tussen enerzijds de belangen van de persoon met de handicap en anderzijds de belangen van degene die de aanpassing moet verrichten. Hierbij zal aan de kant van degene die gevraagd wordt een aanpassing te verrichten onder meer rekening moeten worden gehouden met de kosten van de aanpassing, in relatie tot de omvang en de middelen van de organisatie, de operationele en technische haalbaarheid van de aanpassing en de vraag of de betrokken aanpassing onuitvoerbaar of onveilig is (Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr.3, p.7-8). Het College stelt vast dat verzoekster nog onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag wat de consequenties zijn van het toelaten van assistentiehonden tot de dierentuin, of er aanpassingen nodig zijn en zo ja welke, en of deze aanpassingen financieel, technisch of operationeel haalbaar zijn. Zo lang dit onderzoek niet is gedaan, kan het College niet beoordelen of de gevraagde aanpassing al dan niet onevenredig belastend is. De consequentie hiervan is dat geoordeeld moet worden dat verzoekster onderscheid maakt door assistentiehonden niet toe te laten. Hierna zal het College onderzoeken of het onderscheid verboden is.

Veiligheidsexceptie van toepassing?

6.4 Het College begrijpt verzoekster zo, dat zij met haar standpunt ook een beroep doet op de veiligheidsexceptie die is neergelegd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, WGBH/CZ. Daarin staat dat het verbod van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte niet geldt indien dit onderscheid noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze veiligheids- en gezondheidsrisico’s zowel de personen met een handicap of chronische ziekte betreffen als personen in de onmiddellijke omgeving (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p.31). De risico’s betreffen dus niet dieren. Daarom verwerpt het College het beroep op de veiligheidsexceptie voor zover het gaat om de veiligheid en de gezondheid van dieren. Verzoekster heeft niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat door het toelaten van assistentiehonden de veiligheid en de gezondheid van mensen in het gedrang kan komen. Daarom verwerpt het College het beroep op de veiligheidsexceptie ook voor zover het gaat om de veiligheid en de gezondheid van mensen. Dit neemt niet weg dat de mogelijke risico’s voor de veiligheid en de gezondheid van dieren meegewogen kunnen worden bij de vraag of een doeltreffende aanpassing onevenredig belastend is voor verzoekster. Ten aanzien hiervan heeft het College hierboven al geconcludeerd dat verzoekster hiernaar te weinig onderzoek heeft verricht. Dit betekent dat het onderscheid niet gerechtvaardigd wordt door de veiligheidsexceptie. http://stipvoorstip.nl/wp-admin/edit.php?post_type=insertpostads

Conclusie

6.5 Het College concludeert dat verzoekster zonder nader onderzoek te verrichten naar de consequenties van het toelaten van assistentiehonden geen beroep toekomt op de onevenredige belasting van de doeltreffende aanpassing en evenmin op de veiligheidsexceptie van de WGBH/CZ. Verzoekster maakt dan ook verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte door assistentiehonden niet toe te laten tot de dierentuin.

7 Oordeel

[. . . . ] maakt verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte.
Aldus gegeven te Utrecht op 18 mei 2017 door mr. E.J.M. Hofhuis, voorzitter, prof. mr. J.C.J. Dute en mr. M. Chébti, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.